Vroeger was sterven een kunst. De middeleeuwse ars moriendi leerde hoe je het leven loslaat: met aanvaarding en waardigheid, geloof en hoop. Maar je kunt pas stijlvol sterven als je weet wat leven is.
Dr. Paul Huvenne heeft geleefd – gul en gulzig, zwierig en nieuwsgierig. Als directeur van (eerst) het Rubenshuis en (daarna) het Antwerpse Koninklijk Museum voor Schone Kunsten verlegde hij geen steentjes, maar rotsblokken in de rivier. Paul ademde Rubens, maar op de schouders van de reus keek hij de toekomst tegemoet. Hij liet Jan Fabre los op de oude meesters, bracht verspreide tweeluiken weer samen, en wijdde, als een van de eerste museumdirecteurs ter wereld, een expo aan vrouwelijke kunstenaars. En toen het KMSKA in 2011 moest sluiten voor de grote verbouwingscampagne, organiseerde hij ook dat met panache, en gaf Jan Vanriet carte blanche in de steeds legere museumzalen.
Het is toen, in die onbestemde periode van een collectie zonder museum, dat hij mij opbelde, zomaar, uit het niets. Ik had net mijn proefschrift verdedigd en wist niet goed van welk hout pijlen maken. Ik vond een degelijke job – vast contract, keurige Volvo, ordelijk leven. En toen rinkelde mijn telefoon: ‘We gaan hier in Antwerpen een tentoonstelling maken over 350 jaar Academie, en ik zoek iemand om het werk te doen.’ Een paar dagen later was de Volvo wijlen. Het was de beste beslissing van mijn leven.
Paul geloofde in mij op een moment dat weinig anderen dat deden. Hij gaf mij waanzinnige kansen – een expo in het MAS, een project in Mumbai, twee tentoonstellingen in Nederland. Boeken maken, artikels schrijven, vakken doceren: Paul gaf vleugels en vertrouwen. Toen hij na zijn pensioen zelf een nieuwe weg zocht, vroeg ik hem om voor The Phoebus Foundation het CoBrA-depot mee uit te bouwen. Prompt beet hij zich vast in schilderijen die op het eerste gezicht enkel kinderkrabbels leken. Voor hem spraken ze vanzelf.
Natuurlijk begreep Paul de CoBrA-beweging. Hij was een homo ludens: een eeuwig spelende jongen, die met een simpel papiertje een pinguïn kon vouwen, een kraanvogel, een konijn of een kikker. Tientallen, nee, honderden had ik er op een zeker moment, soms geplooid in origamipapier, vaker in servetten, onderleggers, desnoods in de wikkel van een snoepje. In zijn binnenzak leefden een kalligrafiepen en een Japans penseeltje, waarmee hij in enkele trekken bamboestengels kon tekenen. ‘Vorm volgt materiaal’, zo zei hij dan terloops, en plots ging het van stengels naar Pourbus, al dan niet via een gedicht dat hij als kind nog had geleerd. Vervolgens ontvouwde hij tussen pot en pint een theorie waarvan je eerst dacht: wat bedoelt hij? Daarna: hoe verzint hij het? Om ten slotte te besluiten: hij heeft gelijk.
Want Paul zag wat anderen niet zagen. Als dyslecticus vond hij teksten snel ‘te veel letterkes’. Maar net dat schijnbare tekort bleek zijn grootste gave. Paul dacht in beelden. Hij kon Van der Weyden vergelijken met Suske en Wiske, Rubens met Spielberg of met Walter Van Beirendonck. Antwerpen was Hollywood, en natúúrlijk was een lachende emoji terecht het woord van het jaar. Een beeld zei nu eenmaal meer dan duizend woorden. Paul keek, Paul zag, en plots begreep je wat zo vanzelfsprekend lijkt, maar nooit vrijblijvend is.
Op 15 april 2026 overleed dr. Paul Huvenne aan een genadeloze kanker. Op zijn sterfbed praatten we over Anna van Oostenrijk en Lodewijk XIV, over de levenstrap en Fortuna’s rad: vandaag ben je boven, en morgen plat. Maar titanen sterven niet, niet echt. Ze gaan ondergronds – nee, onderhuids. Ze dragen de sterren, ze drijven de zon. Paul leeft door in zijn teksten. In het vernieuwde KMSKA. En in zijn kunsthistorische bibliotheek, die hij genereus naliet aan The Phoebus Foundation. Want ook de stichting volgt zijn blik: door mij te leren kijken, schreef Paul zonder woorden een nieuw verhaal. Zijn vlam werd de vonk van Phoebus.
En het vuur, dat brandt.
Grand merci, Paul.
Voorzichtig bij het oversteken.
Dr Katharina Van Cauteren
Foto: Phoebus Fondation












